De happy few en andere verliezers

Price of inequalityAls we over stabiliteit spreken, gaat het vrijwel zeker over economische stabiliteit, uitgedrukt in een waarde van het nationaal product, de inflatie en de rentestand. Criteria die voor een hele economie gelden en positief zouden moeten zijn. Maar wat is welvaart als het grootste deel van het geld aan slechts 1% van de bevolking toekomt?

Global Risks

De rijkste 85 mensen op de wereld bezitten samen even veel als de armste helft van de wereldbevolking. Van de reële risico’s met de grootste politieke en maatschappelijke impact voor de komende tien jaar staat ernstige inkomensongelijkheid bovenaan. Dit laatste publiceerde het World Economic Forum eerder deze maand in het rapport Global Risks 2014[1]. Waar de crisis in rijke landen vooral de middenklasse treft en de kloof tussen arm en rijk heeft vergroot, is ook mondiaal het verschil tussen arme en rijke landen groter geworden. Dit resulteert in economische onstabiliteit en sociale spanning. Armoede blijft in stand, sociale ontwikkeling achterwege en macht en kansen alleen bij de rijken[2].

Structurele werkloosheid en werken ver onder niveau vormen een andere serieuze dreiging. De capaciteit van veel mensen wordt hierdoor niet optimaal benut. Hoe positiever landen scoren op factoren als milieubelasting, evenwichtige overheid, gezondheidszorg, onderwijs en economische stabiliteit, hoe sterker de weerstand is tegen toekomstige risico’s. Een aantal Europese landen, waaronder Nederland, scoort al goed.

Duidelijk is dat deze risico’s met elkaar verbonden zijn. Hoe beter de welvaartsverdeling, hoe meer mensen toegang hebben tot de factoren die leiden tot grotere welvaart en zekerheid voor iedereen.

Price of inequality

Ongelijkheid heeft een prijs. De gemiddelde wereldburger is armer dan veertig jaar geleden. Van de continue economische groei heeft kennelijk niet iedereen geprofiteerd. Volgens Joseph Stiglitz, econoom en schrijver van The price of inequality is de winst vooral toegekomen aan ‘de rijke 1%’[3]. In de VS is het verschil tussen arm en rijk toegenomen. Stiglitz ziet daarin een risico, ook voor de rijke 1%. Het lijkt dat die de zaken voor zichzelf goed geregeld heeft maar aan de grote ongelijkheid hangt een prijskaart.

In Europa is de sociale migratie groter dan in de VS, hoe trots als de VS ook zijn op de gelijke kansen voor iedereen. Jongeren in VS starten op de arbeidsmarkt met een grote studieschuld en lage lonen. De inkomensongelijkheid is niet eerlijk: hoewel de bijdrage van de rijksten soms ook groot is, wordt het meeste geld verdiend door de 99% minder rijken terwijl de rijken vooral rijk blijven door rente-inkomsten die vloeien van onder naar boven. Deze oneerlijke verdeling leidt tot een verdeelde maatschappij.

Effectieve vraag

Aan het economische uitgangspunt dat de effectieve vraag gelijk is aan alle bestedingen is niets veranderd. In een vrij economisch model zou het niet uit moeten maken wie besteedt, als er maar wordt besteed. Voor economische groei echter, maakt het wel degelijk verschil. Bij een gelijkblijvend bevolkingsaantal kan een economie alleen groeien  bij een grotere vraag. Rijken besteden van elke extra dollar maar 80%, minder welbedeelden besteden elke extra dollar helemaal. De continuïteit van de economie is dus vooral afhankelijk van 99% van de consumenten. En die komen er het slechts vanaf op veel terreinen. Daar zit dus ook meteen het risico voor de rijke 1%. Het is tenslotte ook hun economie die harder kan groeien als de welvaart beter is verdeeld.

Investeren

De overheid moet investeren. Goed onderwijs dat toegankelijk is voor iedereen, vergroot de productiviteit van de arbeidskrachten. Op dit moment is goed onderwijs voor veel mensen niet toegankelijk en voor hen die er wel aan deelnemen levert het een jarenlange financiële last op. Geld dat niet vrij besteed kan worden maar terechtkomt in de zakken van de bank – lees de rijke investeerders – die van de rente-opbrengsten leven. Bereikbare gezondheidszorg draagt bij aan de productiviteit van mensen en voorkomt dat meer mensen een beroep moeten doen op sociale uitkeringen.  Een arbeidsmarkt waarin de werknemer goed beschermd is, is goed voor economische stabiliteit. Een liberale arbeidsmarkt resulteert in lagere lonen. Bij gelijkblijvende vraag blijft ook het aantal banen gelijk. Alleen de prijs van die banen zal zich aanpassen bij een ruime arbeidsmarkt. En meer lagere lonen betekent lagere bestedingen.

Lagere bestedingen door alle voorgaande oorzaken leiden niet alleen tot een lagere vraag maar ook tot lagere belastinginkomsten van de overheid, waarmee de cirkel rond is.

Wat te doen?

Alle genoemde publicaties zijn het er over eens dat een gelijkmatigere verdeling van welvaart belangrijk is voor economische, politieke en maatschappelijke stabiliteit. Alle wetgeving en het economische systeem bevoordelen de rijke 1%. Wat te doen?

1 banken hervormen (geen te grote leningen verstrekken, bonussen weg want die leiden tot risicovolle investeringen, offshore banking oplossen, banken transparanter en concurrerender maken, voorkom to big to fail) Minder uitlenen betekent ook voor de bank minder risico;

2 goede toegang tot onderwijs en goed openbaar onderwijs.

3 goede zorg. Ziekte kan leiden tot grote armoede.

4 meer richten op stabiele groei en werkgelegenheid in plaats van op inflatie en begrotingstekort.

5 een actieve arbeidsmarkt die mensen aan een baan helpt en een overheid die het opzetten van een bedrijf faciliteert als banken dat nalaten.

6 geen belastingverlaging voor alle bedrijven (daar gaan bestedingen niet van omhoog) maar belasting voor bedrijven die niet investeren. De aanbodkant moet tot het maximum gestimuleerd worden zodat er maximale werkgelegenheid is. De overheid moet veel investeren in infrastructuur, onderwijs en technologie.

7 bedrijven laten betalen voor vervuiling. Dit stimuleert schonere technologie en voorkomt dat bedrijven naar het buitenland gaan om daar goedkoop te laten produceren.

Nieuwe visie

Met Stiglitz lijken de visies – en de oplossingen – elkaar op te volgen: van Adam Smith, via Marx, naar Keynes en weer opnieuw van het neo-liberalisme naar het anti-cyclische beleid. En dat valt mij tegen. De wereld is vele malen kleiner en rijker geworden, de vraag naar waardevolle grondstoffen groter en de politieke verhoudingen verschoven van bi- naar multipolair. Tijd voor een hele nieuwe visie.

Begin 2012 stellen de economen Arjo Klamer en Herman Wijffels vast dat we op veel terreinen niet mee-ontwikkeld zijn met de mogelijkheden[4]. Denken in termen van economische groei nadert zijn eindstadium. Daarvoor in de plaats komt onherroepelijk denken in termen van welzijn. In een gesprek tussen de twee stelt Wijffels: “Voor mij is dat doel [het ultieme doel van het bestaan van de mens] het bevorderen van de menselijke waardigheid. Al het andere is hiervoor een middel. Ook banken horen in dienst te staan van de maatschappij. Geld verdienen en speculeren moet achterwege blijven”.

Sociaal dividend

Wijffels: “Het komt er eigenlijk op neer dat wij zeggen dat banken alles moeten kunnen leveren wat in de Nederlandse economie nodig is, maar ze moeten niet met onze centen gaan speculeren. Dat speculeren moet dus onder worden gebracht in een ander rechtspersoon”. Klamer: “Jij benadrukt ook steeds, dat het belangrijk is om te kijken naar het sociale dividend, dat we dus op de één of andere manier moeten bepalen dat banken niet alleen een financieel rendement halen, maar ook een sociaal dividend. Nu is het grote probleem dat wij economen geen flauw idee hebben hoe we dat moeten uitrekenen of vaststellen, terwijl ik toch denk dat dat een opdracht is voor ons: kijken wat banken bijdragen aan de samenleving. Dat dus gekeken wordt naar wat sociaal nuttig is en hoe ze bijdragen aan de duurzaamheid van onze economie”.

Waarden-volle economie

“In fundamentele verandering loopt de elite nooit voorop, maar achteraan. Dat weten we uit de geschiedenis: fundamentele veranderingen komen uit het volk. Als er daar voldoende van is, dan is de politiek er om dat te codificeren. De kernrol van de politiek in dit soort fundamentele tijdsfasen, is codificatie”, aldus Wijffels in ditzelfde gesprek met Klamer[5]. Occupy en de verschillende voorbeelden van nieuwe activiteiten waarin consumenten de handen ineenslaan en samen inkopen of een broodfonds vormen, lijken een begin van vernieuwing in te luiden. Klamer pleit voor een waarden-volle economie. Waarden zijn het doel, geld het middel. Wijffels is het met die toekomst helemaal eens: “Er is in dit land een tapijtfabriek, Credo, die helemaal cradle to cradle is. Zij zijn tot de conclusie gekomen dat wanneer zij die oude tapijten straks als grondstof willen hebben, dat zij ze beter verhuren dan verkopen. Dat is een belangrijke culturele mutatie. Dan loop je dus voortdurend over het tapijt van een ander. Dat kan je veel verder doortrekken. Er zijn steeds meer ondernemingen in Nederland die op die wijze producten in de markt zetten. Maar als je op die wijze doordenkt, dan koop je dus straks niet een wasmachine van Miele, maar 2000 wasbeurten. Dan koop je dus producten waarbij de grondstoffen eigendom blijven van de oorspronkelijke producent. Dan ben je dus weg van dat hebben; dan koop je niet meer een ding, maar de functionaliteit. Dat is hetgeen waar we naartoe moeten in zo’n circulaire economie, want dan krijgt ook de producent een incentive om een zo goed mogelijk product te maken (hoe langer het product meegaat, hoe meer hij er ook aan kan verdienen). Dus kortom, dan krijg je een heel ander soort dynamiek in de economie die dat hebben en weggooien kan doorbreken”.

En daar moeten we naartoe. Geld is het middel, de rest het doel.

 

 

 


[5] Zie ook het artikel in De republikein van december 2011, Het wordt tijd voor een waarden-economie. Een mooie economische beschouwing waarin Klamer a.d.h.v. voorbeelden uit de geschiedenis pleit voor een hele andere economische basis.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *