Digitale dementie

Digitale dementieLeren van digitale media heeft een veel lager rendement dan een docent voor de klas. Veel omgaan met digitale media betekent sociale achteruitgang en minder zelfbeheersing. Werkelijk kennis opdoen en diep vastleggen wordt met digitale media niet bereikt.

Het is eigenlijk nog maar sinds korte tijd dat de massa echt gelegenheid heeft te leren en toch zijn we altijd blijven bestaan. We kunnen kennelijk prima zonder. Daar staat tegenover dat steeds meer mensen minder weten terwijl de omgeving, in de geïndustrialiseerde wereld in elk geval, complexer wordt.

Digitaal leren is in opmars. Er kan op individueel niveau geleerd worden en op individuele behoefte worden ingespeeld. Nieuwe didactische toepassingen vinden hun weg in het onderwijs, zie de ontwikkeling van programma’s voor het bestaande onderwijs als flipping the classroom en i-tunes U tot de opkomst van ipadscholen.

Asocialer

Dat we niet slimmer worden van hersenspelletjes is al jaren bekend. Dat we steeds slechter omgaan met echte kennis, is wel degelijk een gevolg van veel te veel computergebruik. Het boek Digitale dementie van Manfred Spitzer waarschuwt voor de nadelen van digitale media.

Uit veel onderzoeken blijkt dat we niet perse slimmer worden van computergebruik. Spitzer pleit niet voor afschaffing van het gebruik maar wijst op de risico’s. Hierboven zijn er drie genoemd. Ten eerste de sociale achteruitgang. Door met elkaar om te gaan, buiten school maar juist ook hele dagen binnen school, ontwikkelt een kind de vaardigheid zich in te voelen in een situatie en in de omgeving. Communicatie via een beeldscherm ontwikkelt deze vaardigheid totaal niet. Hersenscans tonen aan dat beeldschermen een veel kleiner bereik hebben in het brein dan persoonlijk contact. Daarom kunnen mensen die veel facebooken zich eigenlijk heel eenzaam en depressief voelen. Hoe meer tijd achter een beeldscherm wordt doorgebracht, hoe minder tijd mensen echt met elkaar doorbrengen.

Concentratie

Ten tweede de zelfbeheersing. Beheersing wordt op twee manieren opgevat. In contact met anderen wordt aangepast gedrag verwacht. Wijkt iemand van de verwachtingen af, volgt direct een reactie door de omgeving. Achter een beeldscherm kan alles onbegrensd– anoniem – worden geuit en blijft de echte reactie uit. De andere opvatting gaat over concentratie, of gebrek daaraan. Jongeren hebben tegenwoordig veel programma’s tegelijk openstaan. Van jongs af aan wordt geswitchtaskt. De noodzakelijke concentratie om een boek te kunnen lezen, wordt niet meer geoefend. Voor goed leren en kennis vastleggen waar later op voortgeborduurd kan worden, is dat wel nodig.

Falen

Ten derde het werkelijk opdoen van kennis. Beeldschermleren betekent in de meeste gevallen veel opzoeken en gevonden informatie toepassen. Op twee punten faalt dit leren. Het eerste falen is het rendement. Het rendement blijkt niet heel hoog. Wat je op kunt zoeken, hoef je immers niet te onthouden. En dat begrijpen hersens nog beter dan de bewuste eigenaar ervan. Na enige tijd blijken proefpersonen niets meer te weten van wat ze ooit opgezocht en kort verwerkt hebben. Hersens zijn niet meer getraind om veel te onthouden. Dat is immers niet nodig. Nieuwe informatie vindt dus niet of beperkter aansluiting op al aanwezige informatie. Breinscans laten zien dat informatie die wordt opgezocht en wordt toegepast niet diep in het brein wordt verwerkt. Er worden minder verbindingen gelegd met bestaande kennis en hoe meer verbindingen gelegd worden, hoe beter kennis beklijft. Deze gevonden kennis blijft aan de oppervlakte. Dat komt omdat er minder delen van de hersens betrokken zijn bij opzoeken en uittypen. Lezen van papier of luisteren en met pen op papier aantekenen, vraagt van veel meer delen van het brein activiteit.

Het tweede falen  is het zoeken zelf. Het lijkt een goed idee om leerlingen over een onderwerp veel op te laten zoeken en dit te laten presenteren in een werkstuk of presentatie voor de klas. Dat zou goed kunnen zijn als er wordt gewerkt vanuit onderzoeksvragen en met een zoekmachine die de filterbubble weet te ontwijken. Beiden blijken zelfs op universitair niveau niet vaak voor te komen. In plaats van bestuderen van een aantal standaardwerken rondom een onderwerp en daaruit nieuwe onderzoeksvragen te destilleren, wordt nu een onderzoeksopzet bij elkaar gegoogled. Wat er over het onderwerp te vinden is, wordt leidend voor de inhoud van het uiteindelijke werk.

Digitale dementie

Er is niets mis met het gebruik van digitale media. Het is per slot van rekening heel handig om snel antwoorden op te zoeken. Maar aan de persoonlijke ontwikkeling en aan de ontwikkeling van kennis draagt het heel weinig bij, wordt de waarde ervan zwaar overschat en de risico’s ervan genegeerd. Door internet, geassocieerd met het begrip collectief brein, weten we welbeschouwd nu veel minder dan voorheen. Echte toename van kennis is op deze manier weer uitsluitend het domein van de onderzoeker.

Bekijk het item bij Brandpunt (15 minuten) waarbij Spitzer zijn verhaal uiteenzet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *