Dubbeltjes, kwartjes en talenten

Getipt door een enthousiaste ‘De Correspondent’fan, – terecht – las ik dit artikel over armoede: Je sociale status staat in je genen geschreven. De vraag onder de facebookmelding is welke delen wel en niet overtuigend zijn.

De Amerikaanse econoom Gregory Clark zou in zijn boek waarop het artikel is gebaseerd schokkendere conclusies trekken over sociale ongelijkheid dan Piketty. Afhankelijk van je verre voorouders heb je wel of geen kansen op maatschappelijk succes. Die kansen zijn genetisch en niet cultureel of anderszins bepaald. Ik vind het een zwak verhaal.

Het bewijsmateriaal overtuigt mij niet. De schrijver van het artikel zelf ook niet: ‘De Amerikaanse econoom geeft toe dat hij niet kan bewijzen dat genen de belangrijkste rol spelen.’ Aannemelijk vind ik de conclusie ook al niet. Clark beroept zich op bronnen die zelfs terug gaan tot de 11de eeuw om de uitschieters (lottowinnaars e.d.) uit te sluiten: ‘Dus zit het leven tegen? Geef dan vooral je over-over-over-overgrootouders de schuld,’ concludeert de auteur van het artikel. Verderop zit het verschil dan weer weldegelijk tussen de ene en de direct opvolgende generatie (adoptiekinderen). Ik vind dat niet sterk.

Uit hersenonderzoek (Swaab) weten we dat verschillende capaciteiten bij de geboorte vastliggen[1] maar dat de ontwikkeling ervan voor meer dan de helft afhankelijk is van alle ervaringen daarna. Biedt een samenleving jonge mensen niet voldoende gelegenheid hun capaciteiten te ontwikkelen, dan zullen ze inderdaad geen kwartje kunnen worden. Maar dat is dan wel maatschappelijk veroorzaakt en niet genetisch.

De waarde van cultureel kapitaal wordt in het artikel te makkelijk van tafel geveegd. Dat Kopten en Joden flink vertegenwoordigd zijn onder de elite wil niet zeggen dat dit alleen genetisch bepaald is, hoewel lichamelijk zwakken afvallen. Ik kan mij zomaar voorstellen dat overleven in zware maatschappelijke omstandigheden moreel sterk maakt, generatie op generatie. Dat is niet genetisch, dat is aangeleerd.

Bourdieu, socioloog, heeft er zijn werk van gemaakt aan te tonen dat de omgeving, de kring, waarin iemand opgroeit van heel groot belang is voor zijn toekomst. De manieren, de taal die wordt gesproken, alles past in een bepaalde omgeving. Dat maakt het lastiger voor iemand die is opgegroeid in een lagere maatschappelijke klasse zich staande te houden in een hogere. Lastiger maar niet onmogelijk. Deze verklaring voor weinig sociale mobiliteit klinkt mij een heel stuk logischer in de oren dan de twijfelachtige verklaring dat genen doorstroom blokkeren.

Gelukkig is de eindconclusie van het stuk wel dat een samenleving, IJsland in dit geval, in staat is mensen allemaal te ontwikkelen. Gewoon omdat dat voor iedereen beter is. Klinkt als Piketty. En daar is niets genetisch aan.

Ik vind het lastig een conclusie te trekken over Clark. Zijn boek heb ik immers niet gelezen, alles is gebaseerd op het artikel van De Correspondent. Het zou kunnen dat de schrijver van dat artikel voor de inconsistentie in de boodschap zorgt. Hoe dan ook, nu en dan even beschouwen wat goed is voor ons allemaal, is altijd goed. Ik zal niet stoppen de ene dochter te laten genieten van Mozart terwijl de andere elektrisch rockgitaar gaat oefenen. Ieder heeft zo zijn voorkeur en talent. En ik hoop dat ze ooit uitkomen op een plek waar hun kwaliteiten goed tot hun recht komen.


[1] ‘Aangeboren’ is niet hetzelfde als ‘genetisch bepaald’. Sommige kenmerken zijn niet in de genen gecodeerd maar ontwikkelen zich tussen conceptie en geboorte. Die zijn dus niet genetisch bepaald maar wel aangeboren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *